Rootes’ kleine revolte

De Rootes Group gooit het in 1963 met de introductie van de Imp over een heel andere boeg. Voor het eerst in dertig jaar komt het Britse concern met een kleine auto op de proppen. Die bovendien de motor achterin heeft zitten. Blijkt het ook nog een aluminium blok te zijn! Helaas luidt de peperdure ontwikkeling van de auto de ondergang van de Rootes Group in.

Door Rik Werner

De Rootes Group heeft een heldere missie aan het begin van de jaren zestig. Er moeten véél meer auto’s worden verkocht. De directie zet in op de ontwikkeling van een compact en betaalbaar model, dat de concurrentie moet aangaan met de alsmaar in populariteit groeiende Mini van BMC. Onder de codenaam Apex krijgen twee jonge ontwerpers, Tim Fry en Mike Parkes, zo ongeveer carte blanche. Die kans grijpen ze met beide handen aan; ze doen inderdaad alles nét even anders dan je zou verwachten. Ze kiezen voor een concept met de motor achterin, wat niet eens zo heel gek is gezien het commerciële succes van auto’s als de Volkswagen Kever en de Simca 1000. Daarmee is de Hillman Imp de eerste Britse in serie gebouwde personenauto met de motor achterin. Opvallend is verder dat de 875 cc krachtbron geheel uit aluminium is vervaardigd, een unicum in die tijd. Als basis voor de krachtbron fungeert een Coventry Climax FWMA brandweeraggregaat, dat op de racecircuits zijn waarde heeft bewezen. De plaatsing van de krachtbron in de Imp is eveneens bijzonder te noemen: de motor – voorzien van een automatische choke! -- is onder een hoek van 45 graden gekanteld geplaatst achter de achteras. Die opstelling houdt het zwaartepunt laag, wat een positieve bijdrage levert aan de wegligging. De Imp heeft mede daardoor een vrij ruim interieur en een riante kofferruimte aan de voorzijde. Geinig detail: de achterruit kan van buitenaf worden geopend, waardoor eenvoudig bagage op de achterbank kan worden geplaatst. Eveneens bijzonder is het gebruik van een onafhankelijke achterwielophanging, waar andere fabrikanten van modellen met de motor achterin kiezen voor pendelassen. Het komt het weggedrag zonder meer ten goede, maar de gekozen oplossing is op zijn zachtst gezegd enigszins kostbaar. Fry en Parkes tekenen verschillende carrosserievarianten: behalve een tweedeurs sedan verschijnt er een stationcar (Husky), een bestelwagen (van) en een coupé.

Kwaliteitsproblemen
Is de ontwikkeling van de auto zo ongeveer al een rib uit het lijf van de Rootes Group, de productie van de auto is een ander stevig pijnpunt. Rootes bouwt speciaal voor de nieuwe Imp een kostbare gerobotiseerde fabriek in Linwood, een voorstad van het Schotse Glasgow. Die locatie is niet zomaar uit de lucht komen vallen, want de Britse regering stelt een aanzienlijke financiële bijdrage in het vooruitzicht. Door de teloorgang van de scheepsbouw is de werkloosheid in Linwood enorm en de productie van de Imp zou zesduizend banen in het getroffen gebied scheppen. De daadwerkelijke bouw heeft echter op twee locaties plaats: vanuit het noordelijke Linwood gaan dagelijks treinen met afgebouwde Sunbeams naar het zuidelijke Ryton, terwijl vanuit Ryton dagelijks treinen met motoronderdelen en versnellingsbakken voor de Imp richting Linwood rijden. Vice versa gaat het om een treinreis van bijna duizend kilometer. Logistiek gezien een krankzinnige operatie, peperduur bovendien. Bijkomende complicatie is de gebrekkige scholing van het personeel in Linwood, overwegend voormalige scheepsbouwers. Het duurt even voordat de vers gerekruteerde fabrieksarbeiders op het gewenste niveau opereren en dan is het kwaad al geschied. De eerste series van de Imp kampen met vervelende kinderziektes. Het regent klachten over koelingsproblemen en ander mechanisch malheur. Het imago van de kleine Sunbeam loopt een stevige deuk op. En alsof het nog niet erg genoeg is vallen de productiefaciliteiten regelmatig ten prooi aan arbeidersstakingen. 

Verbeteringen
De Rootes Group maakt overigens meteen werk van de kwaliteitsproblemen. De MkII versie die in 1965 verschijnt steekt aanzienlijk beter in elkaar. De automatische choke verdwijnt van het toneel evenals het pneumatisch bediende gaspedaal. Tegelijkertijd wordt de wielophanging verfijnd. Ondanks de snel doorgevoerde verbeteringen komen de verkopen van de Hillman Imp en haar zustermodellen Singer Chamois (introductie oktober 1964) en Sunbeam Sport (debuut oktober 1966) maar moeizaam op gang. Nieuwe verfijningen in ’68 doen daar niets aan af. De redelijke prijsstelling, het onderscheidende uiterlijk en de lage gebruiks- en onderhoudskosten leveren de Imp (en haar tweelingzusters) door de jaren heen een trouwe schare liefhebbers op, maar een echte kaskraker wordt het model nooit. In tegenstelling tot de Mini van BMC, waarmee de Imp zou moeten concurreren. De kostbare ontwikkeling van de Imp en de peperdure fabriek in Linwood zijn een molensteen rond de nek van de Rootes Group en dragen bij aan de ondergang van het ooit zo onaantastbare Britse bolwerk. Het Amerikaanse Chrysler neemt het concern in 1967 over en besluit meteen tot een prijsverlaging van de Imp, in de hoop de verkopen van het kwakkelende kleintje aan te zwengelen. Pijnlijk, want Rootes positioneert de Imp aanvankelijk als een revolutionaire, vernieuwende compact car. Maar gaandeweg haar leven wordt de auto ‘afgewaardeerd’ als een goedkoop alternatief voor Oost-Europese budgetauto’s, zoals de Skoda en de Lada. Op zeker moment is de basis-Imp in Groot-Brittannië de goedkoopste auto die nieuw te koop is. Uiteindelijk valt in maart 1976 het doek, waarmee de Imp ondanks alle tegenvallers en tegenslagen één van de langstlopende naoorlogse Britse automodellen is. De Imp wordt in 1977 opgevolgd door de Chrysler Sunbeam, die nog tot en met 1981- samen met de Avenger- geproduceerd wordt in Linwood. Dan komt er definitief een eind aan het gebruik van de merknaam Sunbeam.

Rally’s & races
De Hillman Imp blijkt al snel na haar marktintroductie zeer geschikt te zijn voor autosportdoeleinden. Rosemary Smith schrijft achter het stuur van een Imp in 1965 de befaamde Tulpenrally op haar naam. Dat vrij onverwachte succes brengt Rootes er toe om van de kleine Hillman (en ook van de zustermodellen van Sunbeam en Singer) een speciale Rallye-versie op de markt te brengen. Bill McGovern wordt met een Imp in het begin van de jaren zeventig driemaal op rij kampioen in het felbevochten Brits toerwagenkampioenschap (1970, 1971, 1972), voor zowel coureur als auto een prestatie van formaat.

Technische gegevens Hillman Imp (1963-1976)
Motor:            4-cilinder lijn, 875 cc
Boring x slag: 68 x 60,4 mm
Vermogen:      42 pk/5.000 t/min
Topsnelheid:   120 km/h
Lxbxh:            353 x 153 x 138 cm
Compressieverhouding: 10:1